Mijn droom om ooit eens de iconische en beruchte Eiger Noordwand te beklimmen begon denk ik toen ik, ik meen in 2005, het boek 'De Witte Spin' van Heinrich Harrer (ook bekend van de film Seven Years in Tibet) las. Het boek gaat over de eerste pogingen om de wand te beklimmen en over de eerste beklimming in 1938 door 4 klimmers waarvan Harrer er een van was. In die tijd waren de klimmers vaak niet alleen intrinsiek gemotiveerd om die wand te beklimmen. Vaak lagen er ook nationalistische beweegredenen aan ten grondslag. Adolf Hitler beloofd bij de Olympische Spelen van 1936 zelfs een gouden medaille voor diegene die als eerste de Eiger Noordwand zouden beklimmen. Door die intrinsieke en extrinsieke motivatie, de slechte uitrusting en het gebrek aan goede weersverwachtingen namen de klimmers van destijds een enorm risico om de wand te beklimmen. De eerste pogingen liepen dan vaak ook dramatisch af..
Niet dat ik op dat moment het idee had dat ik die immense wand ooit echt eens zou kunnen beklimmen want op dat moment had ik nog amper klimervaring. Door het boek kreeg ik wel een enorme bewondering voor de (over)moed, het doorzettingsvermogen en de vastberadenheid van de klimmers in die tijd. In die tijd hadden stijgijzers alleen nog maar punten die vanaf de voetzool loodrecht naar beneden staken, de frontalzacken (voorste punten) waren pas net uitgevonden en daarbij werd er meestal nog op spijkerschoenen geklommen omdat stijgijzers voor de meeste arme klimmers te duur waren! Het team van Heinrich Harrer klom destijds nog op spijkerschoenen en alleen de voorklimmer (Anderl Heckmair) had stijgijzers. Heckmair beschrijft zelfs dat hij de voorste punten voorheen nog nooit gebruikt had en het gebruik ervan dus pas in de wand kon oefenen.
Maar door een gebrek aan ervaring kwam het niet in mij op om een poging te doen die wand zelf te beklimmen, maar dromen mag altijd toch?
Na het lezen van het boek bleef ik dromen en fantaseren over de Eiger. Vaak gaat het bij het beklimmen van een dergelijke wand niet over die 1, 2 of 3 dagen dat de beklimming daadwerkelijk duurt. Het proces om de beslissing te maken om überhaupt te starten met die beklimming duurt vaak jaren.
Ik werd in 2005 dus getriggerd door een boek. Ergens in 2011, toen ik aspirant was en gidste voor het lokale gidsenbureau in Grindelwald, zag ik de wand voor het eerst en werd ik verder geïnspireerd. In 2013 gidste ik een Japanner, via de Mittellegi graat, naar de top en kon ik vanaf boven in de wand kijken én leerde ik de afdaling kennen.

Vanaf boven zag de wand er misschien nog wel indrukwekkender uit en kreeg ik nog meer ontzag voor de wand. Ondanks dat ik inmiddels gids was en routes die niet onderdeden voor de Eiger Noordwand geklommen had, zoals de Freneypijler op de Mont Blanc, Colton Mc Intyre op de Grandes Jorasses en in 2015 de Matterhorn Noorwand, kreeg ik eerder méér twijfels of ik de Eiger wel echt kon beklimmen dan minder. En vooral ook, wilde ik die beklimming wel doen gezien alle risico's? Ik besloot dat ik alleen een poging zou doen als werkelijk alle seinen op groen zouden staan.
Hoe krijg ik al die seinen op groen? En aan welke seinen denk ik dan?
En het is best lastig om al die seinen op groen te krijgen. Ik moet zelf fit zijn, het weer moet perfect zijn, de condities moeten perfect zijn (er mag niet teveel sneeuw liggen maar ook niet te weinig, en de sneeuw moet hard opgevroren zijn en liefst niet teveel blank ijs) én mijn klimmaatje moet fit zijn en we moeten beide goed geacclimatiseerd zijn. Ik ken maar een handjevol mensen die de Eiger zouden kunnen klimmen en nog minder mensen waarmee ik die wand ook zou wíllen beklimmen. En dan moet mijn klimmaat ook nog fit zijn en tijd hebben. Vaak weet je pas last minute (lees een paar dagen) dat de condities goed zijn dus er moet snel geschakeld worden. En tegenwoordig kan ik net iets minder makkelijk spontaan van huis, met een dochter thuis en is veiligheid misschien wel belangrijker dan ooit. Geen consessies dus…
Om het veilig te houden besloot ik dus geen concessies te doen en zou ik écht alléén instappen als alle seinen op groen stonden. Dat heeft er wel voor gezorgd dat ik de laatste 10 jaar misschien wel 5 of 6 keer heb overwogen om in te stappen wat me logistiek maar ook mentaal een hoop energie kostte. In 2020 deed ik samen met Niek de Jonge dan toch een eerste poging om de wand te beklimmen. De condities leken goed te zijn maar dat viel toch behoorlijk tegen. Beneden op de parkeerplaats in Grindelwald was het -10.. Eenmaal in de wand lag er veel meer sneeuw dan gehoopt, waardoor we er door heupdiepe sneeuw, 6 uur over deden om bij het stollenloch te komen. Daar doe je normaal gesproken 2 uur over. Hoger in de wand leek het alsof er juist veel te weinig sneeuw lag. Wat mij betreft stond er dus meer dan 1 sein niet op groen. Ik besloot dus om te draaien ondanks dat we de top misschien wel hadden kunnen halen. Voor Niek was dit al zijn 3e poging dus die baalde enorm maar respecteert mijn keuze.

Om je even mee te nemen in mijn hoofd / een beeld te schetsen: In de jaren erna overwoog ik vrijwel iedere winter om nog een poging te doen. Ik begon in oktober dan vaak al met trainen door 5/6 keer in de week te hardlopen, fietsen en klimmen. Om er dan eind april achter te komen dat die training toch weer voor niets geweest was (helemaal voor niets is het natuurlijk nooit maar zo voelde het soms wel) en dat deed wat met mijn motivatie. Ik werd langzaam jaloers op al die topsporters die voor moment X (olympische spelen o.id.) trainden en een duidelijke datum en doel hadden om voor te trainen. Ik moest voor mijn gevoel een jaar of 7 van oktober t/m april 'ready' zijn voor de 'wedstrijd' zonder dat de wedstrijd startte.. Bij iedere overweging om wél te gaan moest ik telkens mijn hele agenda omgooien en collega's en familie vragen om mijn werk op te vangen of op mijn dochter op te passen.. Niet alleen ik, kreeg er een punthoofd van, maar mijn vriendin ook..
De opluchting was dan ook groot toen afgelopen maart alle seinen op groen leken te staan. De condities en het weer leken perfect! Het grootste stoplicht wat niet op groen stond was dat mijn favoriete klimaat Niek de Jonge geen tijd had op het moment dat ik wel tijd had, terwijl ik hem beloofd had de wand met hem te doen. Ik breek niet graag een belofte maar ik kon het qua motivatie niet langer meer opbrengen om deze kans wéér te laten liggen. Met pijn in mijn hart, en tegen mijn gevoel in, ben ik toch op zoek gegaan naar andere klimmaatjes.
Uiteindelijk kwam ik bij Melvin Redeker uit. Een klimmer die door ziekte een tijdje niet had kunnen klimmen maar inmiddels weer vol gemotiveerd op hoog niveau klom. Melvin heeft een jaar of 15 zodanig last van de ziekte van Lyme gehad dat hij sommige dagen nauwelijks zijn bed uit kon komen. Op zich al een hele prestatie dat hij na 15 jaar ziekbed het na zijn 50e nog voor elkaar gekregen heeft om weer op zo’n hoog niveau te klimmen!
Melvin was eerder een inspiratiebron toen ik ergens rond 2003 een fantastische lezing over de Thalay Sagar van hem zag. Mooi dat ik nu ging klimmen met iemand waar ik vroeger enorm tegen opkeek! Ik had nooit eerder met hem geklommen maar ik was eerder met Cas van de Gevel en Mike van Berkel, waarmee Melvin ook al vaker geklommen had, op expeditie geweest. Zij waren altijd positief over Melvin en ook mede gezien zijn ervaring had ik alle vertrouwen dat het met Melvin zou moeten lukken. Ik vond het natuurlijk wel spannend om te ontdekken of Melvin na zijn ziekbed écht weer het niveau en de conditie had om dit soort grote wanden te beklimmen en dat vond hij zelf natuurlijk ook spannend.. Daarnaast komt zo’n kans altijd onverwacht en had Melvin eigenlijk maar een dag of 2 de tijd om een klein beetje te acclimatiseren. Dat sein stond dus niet op groen maar een rood sein was het denk ik ook niet. Ikzelf heb volgens mij 80% van de grote beklimmingen die ik in de Alpen gedaan heb ook ongeacclimatiseerd moeten doen. Niet goed acclimatiseren is niet ideaal, maar verreweg de belangrijkste prioriteit is dat de wand goed in conditie is én het weer goed is en dat komt tegenwoordig niet vaak voor. Alle andere seinen staan op groen, dus besluiten we te klimmen en een strategie te bedenken die het gebrek aan acclimatisatie van Melvin compenseert.

Omdat de wand door het hoge klimniveau en social media tegenwoordig heel druk kan zijn, en (te)veel klimmers ook een risico vormen, hadden we een strategie bedacht om zo weinig mogelijk last te hebben van andere klimmers. Het idee was om einde middag de wand in te stappen om dan in het Stollenloch te slapen zodat we het onderste deel van de wand alvast geklommen hadden en daardoor een voorsprong hadden op andere klimmers. Bijkomend voordeel was dat Melvin niet goed geacclimatiseerd was en zodoende nog een beetje aan de hoogte kon wennen. Laat op de dag pas instappen is vrij ongebruikelijk bij het beklimmen van Noordwanden vanwege de hogere temperaturen maar het onderste deel van de wand is door een steile overhangende rotswand relatief goed beschut tegen steenslag. Op die manier probeerden we ‘out of the box’ te denken en dat leek te werken.
Toen we de wand in stapten lag er zo’n goed spoor dat de trap bij mij thuis technisch gezien misschien wel moeilijker is.. Er kwam ons een lokale gids, die in de afdaling was, tegemoet die met zijn vrouw een trainingsrondje gedaan had. Hij had de wand al meerdere keren beklommen en volgens hem waren dit de beste condities die hij de laatste 10 jaar mee had gemaakt. Dat gaf ons goede hoop! Na 1,5 uur klimmen stonden we in het Stollenloch en blij verrast bleken wij de enigen te zijn! We hadden nog tijd over dus besloten we om de eerste paar lengtes plus een van de cruxlengtes van de route, de Schwierige Riss, vandaag nog te klimmen zodat het morgen in het donker makkelijker zou gaan.
Via een ca. 40 meter lange traverse naar links en vervolgens weer 40 meter traverse naar rechts bereiken we de voet van de Schwierige Riss. We zijn helemaal alleen en dat voelt heerlijk! We hebben geen haast dus Melvin neemt alle tijd en de spleet is behoorlijk goed af te zekeren. We hebben sowieso besloten dat we ons niet gaan haasten, ook niet als er andere klimmers achter ons aan komen.

We besluiten alle zekeringen die we kúnnen plaatsen, ook te gaan plaatsen. Dat klinkt misschien logisch maar als je minder zekert klim je sneller en ben je minder lang in de wand en ben je dus ook minder lang geëxponeerd aan objectieve gevaren zoals bijv. steenslag waar de Eiger bekend om staat. Snelheid is ook veiligheid. De crux is om een goede gulden middenweg te vinden tussen snel klimmen (en dus minder zekeren) of andersom. We besluiten dus om zoveel mogelijk zekeringen te leggen maar de makkelijke lengtes aan ‘lopende zekering’ te klimmen. Dat doen we dus ook op stukken die zo makkelijk zijn dat het bijna aanvoelt als traplopen. Op die stukken kiezen veel klimmers ervoor om het touw helemaal weg te doen wat soms ook een goede keuze kan zijn vanwege de snelheid. Wij kiezen daar niet voor omdat we denken dat er hoog boven in de wand nog veel klimmers zitten die ook voor steenslag kunnen zorgen. En of je nu in makkelijk of moeilijk terrein klimt, als je door een steen geraakt wordt val je sowieso, en dat nog los van de directe impact van de steen..
Ik klim de Schwierige Riss na en geniet echt van het klimmen! Het is niet makkelijk maar het klimmen ligt nog binnen mijn comfortzone. Bovenaan gekomen seilen we, via boorhaken, 2 lengtes ab en klimmen we terug naar het Stollenloch voor een fantastisch bivak inclusief lichtknopjes en een tafel om te koken.
De volgende ochtend staan we vroeg op om, vóór alle andere klimmers, als eerste aan de Schwierige Riss te beginnen. In het pikkedonker kijk ik een gapend zwart gat naar beneden in de hoop geen koplampjes onder ons te zien. Yes, nog geen andere klimmers te zien!

Snel klimmen we door tot bij de Schwierige Riss. Shit.. 4 andere klimmers.. We zijn verbaasd want die klimmers moeten echt al heel vroeg de wand in zijn gestapt. Er zit niets anders op dan te wachten.. Het blijken Spanjaarden te zijn die de wand in een dag willen klimmen. Nadat ik net de hoek om ben gekomen hoor ik van Melvin dat een van die gasten al een flinke voorklimval gemaakt heeft maar dat leek hem niet veel uit te maken. Stoïcijns hees hij zich weer omhoog en klom hij verder. Na een uur wachten zijn wij aan de beurt. Het is inmiddels licht en dit keer klim ik de Schwierige Riss voor. Ik zit lekker in de flow en Melvin komt snel na. Dat geeft energie!
Via wat makkelijker terrein komen we bij de iconische Hinterstoißer Quergang (traverse). Dit is een van de beroemdste passages in de Witte Spin die een diepe indruk op mij had achtergelaten. Het schijnt dat dit, als je de vaste touwen weghaald die er nu hangen, de moeilijkste passage van de hele wand is en dat als je het vrij klimt grofweg 6B zou moeten zijn. Dat Andreas Hinterstoißer dit in 1936 op grote bergschoenen, ondanks het inzetten van een touwtechniek, de pendelquergang, heeft geklommen is mij een raadsel en een prestatie van wereldniveau. Bij ons is de hele traverse goed met sneeuw en ijs bedekt en met hulp van de vaste touwen zijn we er snel doorheen. Hier komen 2 van mijn grootste hobby’s, geschiedenis en bergbeklimmen, samen! Ik heb het idee dat ik nu zélf in het boek de Witte Spin aan het klimmen ben.

Hierna rijgen we de ene na de andere iconische en nostalgische klimpassage aan een. Dat is het bijzondere aan de EIger Noordwand! Er is zoveel gebeurt en geschreven over deze wand dat vrijwel ieder stuk van de route verbonden is aan een verhaal. Ik lees al die verhalen nu al jaren en het is fantastisch omdat ik nu live kan zien en voelen hoe die plekken eruitzien, wat een ambiance! Via het Schwalbennest en het 1e Eisfeld komen we bij de iets lastigere Eisschlauch die Melvin soepel voorklimt. Ik kom na en we klimmen direct aan lopende zekering verder.
Omdat we op de Spanjaarden moesten wachten, werden we bijgehaald door 2 Oostenrijkers. Het is altijd maar afwachten hoe relaxed die andere klimmers dan zijn. Willen ze persé inhalen en gaan ze je opjagen of vinden ze het ook prima om achter ons aan te klimmen?

Voor de gezelligheid maar ook vanwege diplimatieke redenen maak ik een praatje en het blijkt dat ze uit een regio in Oostenrijk komen die ik goed ken. Ik vraag of ze ons willen inhalen maar ze geven aan dat ze niet veel sneller dan wij zijn en dat het zo prima is. Het zijn gezellige gasten dus dat zorgt voor energie en wat grappen op de standplaats.
Via het 2e Eisfeld bereiken we het Bügeleisen. In de topo’s die ik bestudeerd had werd daar niet iets noemenswaardigs over gezegd maar het klimmen bleek hier toch lastiger dan gedacht. Waar we precies moesten klimmen was niet evident, de rots was heel slecht en het was bijna niet af te zekeren. Melvin klom daardoor best langzaam voor, waardoor er zich achter ons inmiddels een stuk of 4 touwgroepen hadden verzameld. Helaas waren die wat minder relaxed en in plaats van even te wachten klommen zij parallel aan ons voorbij zonder iets te zekeren waarbij een van de voorklimmers tot twee keer toe bijna viel. De Oostenrijkers begonnen nu ook geïrriteerd te raken en vroegen net als wij of ze niet gewoon even konden wachten. De Duitser meende dat dat niet nodig was en als wij aangeven dat het op deze manier niet heel veilig is, was zijn antwoord: 'ich mache diese Wand schon für das dritte mal!’. Net alsof het dan niet meer uitmaakt.. Hij leek dus niet echt voor rede vatbaar dus hebben we ze maar voorgelaten.

Ik nam het in weer iets makkelijker terrein van Melvin over maar dit keer kon ik in 50 meter klimmen slechts 1 uiterst klein friendje leggen. Snel daarna kwamen we aan in het Dodenbivak. Ondanks de lugubere naam is dit een van de weinige comfortabele plekken in de wand waar je, ook veilig voor steenslag, kunt bivakkeren. Het was 13:00 uur ‘s middags dus veel te vroeg om te bivakkeren dus het plan was om door te klimmen. Ware het niet dat er inmiddels nòg meer ongeduldige klimmers achter ons zaten.

Onze strategie was om vandaag zo hoog mogelijk in de wand te komen en dan bij de laatste goede bivakplekken voor de Godentraverse te bivakkeren. Op die manier zouden we dan de volgende ochtend vroeg, als het nog koud was, bij de Spin zijn. De Spin is het hoogste sneeuwveld in de wand waar ook het boek De Witte Spin naar vernoemd is. Dat deel staat bekend om de vele steenslag. Des te kouder het is en des te vroeger op de dag, des te minder klimmers zitten er boven ons en des te beperkter is de kans op steenslag.
Daarom besloten we dan maar om in het dodenbivak te bivakkeren. Dit was wel het meest comfortabele bivak in de hele wand dus ieder nadeel heeft zijn voordeel maar het voelt niet logisch om zo vroeg al te stoppen met klimmen. Om 14 uur ‘s middag hakken we de knoop definitief door waardoor we dus nog zo’n 14 uur moesten wachten totdat we weer ‘mochten’ klimmen. Aan het einde van de dag kwam de zon nog wel in de wand en dat was magischh! De warmte van de zon, het prachtige uitzicht tot aan Bern, een waanzinnige ambiance en de kameraadschap met de Oostenrijkers en de Duitse gids die in een paar uur tijd was ontstaan maakte het bivakkeren tot een onvergetelijke ervaring!

Wij waren niet persé langzaam. We waren vooral wat langzamer omdat wij uit beleefdheid maar ook uit veiligheidsoogpunt geen andere klimmers wilden inhalen waardoor we af en toe moesten wachten. Maar het bleek dat het voor laten gaan van de Duitsers geen goede keus was. Inmiddels dacht iedereen dat het een goed idee was om in te halen en ontstond er een chaos van 6 of 7 touwgroepen die allemaal vonden dat ze de snelste waren. Wij hadden geen zin om in deze wand met ze in discussie te gaan, dus lieten we ze maar voor gaan.
De Oostenrijkers waren net zo beleefd als wij en baalden net zo hard, want dit betekende dat de bivakplekken boven ons waarschijnlijk allemaal bezet zouden zijn. Bovendien zouden we, als we door zouden klimmen, wederom in de file klimmen en dat deed los van de veiligheid nogal af aan de ervaring.
We lagen door ruimtetekort met zijn 6en heel dicht tegen elkaar aan, wat ervoor zorgde dat niemand het echt koud had. De nacht was dus ook zo voorbij en met goede moed stonden we op. Bij het nachtelijke ontbijt vertelde Melvin mij bij het schijnen van onze hoofdlampjes dat hij zich niet helemaal lekker voelde en dat hij last had van de hoogte. Daar schrok ik van want, even los van dat we daardoor de top niet zouden halen, zou vanaf hier weer afdalen op zijn zachtst gezegd niet zo makkelijk of misschien zelfs wel onmogelijk zijn.
De belangrijkste vraag was voor mij dan ook: ‘heeft Melvin last van de hoogte of heeft hij hoogteziekte?”. Dat hij last had van de hoogte vond ik niet zo gek gezien zijn beperkte acclimatisatie. Hij had verder geen grote kenmerken van hoogteziekte zoals sterke hoofdpijn, overgeven of warrig praten. Beide hadden we het idee dat het dus niet om hoogteziekte ging, maar oncomfortabel was het wel.
Na wat overleg en nog wat extra veel drinken besloten we om door te gaan in de hoop dat Melvin zich toch langzaam beter zou gaan voelen. Bij echte hoogteziekte ga je je per definitie slechter voelen als je hoger klimt dus daar zouden we dan snel genoeg achterkomen. Ik weet niet meer of we dit toen ook naar elkaar uitgesproken hebben, maar de conclusie was wel dat ik dus de moeilijkste lengtes moest gaan voorklimmen.
Dat zou normaal gesproken prima moeten lukken maar toch gaf dat voor mij een extra mentale belasting. Klimmen is toch echt een teamsport en als je voorklimt is dat soms mentaal misschien nog wel zwaarder dan fysiek. Het is dus fijn te weten dat je het voorklimmen af en toe aan je klimmaat kan overlaten zodat je zelf mentaal weer even kan bijkomen. Maar dat is ook het mooie aan teamsport dus ik zag het ook als een extra uitdaging. Zeker omdat de situatie ook al eens omgekeerd is geweest. Bij de beklimming van de Dru Noordwand voelde ik me slecht en was ik blij dat ik het klimmen aan Niek kon overlaten. Dit soort voorbeelden toon voor mij ook aan dat klimmen, in tegenstelling tot wat ik vaak van mensen hoor, toch echt een teamsport is. Bij welke sport vertrouw je je leven toe aan je teamgenoot? Misschien dat dat alleen bij zeezeilen gelijkwaardig is?
Vanuit het dodenbivak traverseren we het 3e Eisfeld om de Rampe te beklimmen. Gelukkig was Melvin nog fit genoeg om dat voor te klimmen. De Rampe was mooi klimmen en soms lastiger dan gedacht, maar we konden er beide van genieten. We hadden al gehoord dat de condities vanaf hier niet perse meer goed waren. Er lag minder sneeuw waardoor er meer gedrytoold moest worden wat het klimmen waarschijnlijk wat moeilijker maakte.

Na de Rampe kwamen we bij de eerste echte crux van de route, de Wasserfallkamin. Doordat het klimmen daar zo lastig is, en we erachter komen dat de touwgroepen die ons gister hadden ingehaald toch niet zo snel waren als ze zelf dachten, stonden we wederom in de file. Dit keer was ik niet van plan om mensen nog langs te laten gaan dus ik klom direct achter de Oostenrijkers aan.
Vanaf de standplaats daalde ik via een vast touw af om vervolgens een stuk rots te beklimmen die naar mijn idee nergens in de topo staat maar wat behoorlijk lastig klimmen was. Ik moest alle drytooltechnieken inzetten die ik kende en klom sommige delen met blote handen in plaats van met bijlen. Het was flink uitdagend maar prachtig klimmen, maar de crux moest nog komen.
In de Wasserfallkamin zelf zat hier en daar wat ijs maar het begon mager te worden. Ik dacht vooral terug aan alle verhalen die ik gelezen en gehoord had. Tot aan de jaren 90 was het gebruikelijk om deze route in de zomer te beklimmen. Mijn goede klimmaat Cas van de Gevel had de route in de jaren 90 geklommen en vertelde dat het toentertijd normaal was om dwars door het stromende koude water omhoog te klimmen. Om hun kleding droog te houden trokken ze alle kleren uit en klommen ze alleen in hun Gore Tex kleding omhoog.. Tegenwoordig is klimmen in de zomer niet meer verantwoord vanwege het te grote gevaar op steenslag.
De gedachte dat ik wél lekker droog mocht klimmen gaf een hoop energie! Het klimmen door het licht overhangende terrein ging misschien niet snel, maar ik had alles onder controle en was echt aan het genieten. Jarenlang had ik me door alle verhalen druk gemaakt of ik deze lengte wel zou kunnen klimmen maar het ging verrassend makkelijk en bovendien was het prachtig! Met een opgelucht en euforisch gevoel maak ik stand en roep ik dat Melvin kan nakomen.

Ondertussen bleken er weer wat ongeduldige klimmers achter ons te zitten die niet het fatsoen hadden om te wachten. Melvin klom snel en soepel na en ik kreeg het idee dat hij zich niet zo slecht voelde dan waar hij eerder bang voor was dus dat gaf mij ook weer energie! De volgende lengte was normaal gesproken ook een cruxlengte. Het klimmen was uitdagend maar er zat relatief veel ijs in deze lengte wat het klimmen makkelijker maakte. Melvin klom de volle 50 meter van het touw soepel voor, waarna we via het Rampen Eisfeld, de Brüchiges Band en de Brüchiger Riss die, als je het mij vraagt niet zo brüchig is, bij de Götterquergang uitkomen. Oftewel de Godentraverse! De Götterquergang is vanwege de ambiance wereldberoemd onder klimmers. Het klimmen is niet heel moeilijk maar heel exposed en het terrein is niet geweldig af te zekeren maar desondanks konden we dit allemaal aan lopende zekering klimmen.

Na de Götterquergang kwamen we bij de titel van het boek, de Witte Spin! Dit deel van de wand is zo beroemd omdat vrijwel alle steenslag die hoger op de berg valt zich via een trechter verzamelt, waarna de stenen op de Witte Spin uitkomen. Niet iets waar je heel enthousiast van wordt, dus dit zorgde voor flink wat extra spanning. Door Klimmen dus!

Gelukkig klommen we hier snel langs en na nog wat onverwachts lastig klimmen kwamen we bij de laatste echte crux van de route, de Quarz Riss. Opnieuw groeide mijn ontzag voor de eerste beklimmers van de route die in 1938 met zulke slechte uitrusting, niet wetend hoe moeilijk het klimmen zou gaan worden en of het überhaupt wel mogelijk was om te beklimmen toch de ballen en het zelfvertouwen hadden om hier omhoog te klimmen!
Van onder ziet de Quarzriss er steil uit en niet makkelijk af te zekeren. Zeker niet met de uitrusting van die tijd. Gelukkig hadden wij van andere klimmers al gehoord dat er op de plaat een goede mephaak zit die je vanonder niet kunt zien. Inmiddels was het gekkenhuis compleet en leken alle klimmers hun fatsoen verloren te hebben. Ik begon mijn geduld behoorlijk te verliezen en sprak zo nu en dan mensen aan met de vraag of ze het zelf écht zo’n goed idee vonden om ongevraagd maar iedereen in te halen. Er klommen links en rechts klimmers langs ons heen die ook nog eens steenslag veroorzaakten omdat ze andere klimmers probeerden in te halen.
Toen ik iemand iets hoorde mompelen als ‘blöde Kaskopf’ was mijn geduld op en besloot ik dat het klaar was met dat diplomatieke gelul. Ik heb de 6 of 7 touwgroepen die ons probeerden in te halen duidelijk gemaakt dat ik niemand maar dan ook niemand die ons probeerde in te halen nog voorbij zou laten.
Ik gaf aan dat het mij duidelijk was dat zij waarschijnlijk tot de wereldtop hoorden qua klimmen maar dat wij ook niet volledige idioten waren die niet wisten wat we aan het doen waren. Gelukkig kreeg ik ook bijval van de Duitse berggids waarmee we ook gebivakkeerd hadden, die zelf in de wereldbeker geklommen had dus wellicht dat dat mijn draagvlak van het punt wat ik probeerde te maken bij de andere klimmers wat vergrootte. Later bleek ook dat we werden ingehaald door klimmers die ook echt tot de wereldtop horen. Maar wereldtop of niet, dat is nog geen reden om onfatsoenlijk te worden.
De eerste reactie was nog verbazingwekkender! Een paar Südtirolers gaven aan geen bivak materiaal mee te hebben en dat ze daarom haast hadden.. Prima als je die keuze maakt maar dat is niet mijn probleem! Wij zouden ook een stuk sneller zijn zonder bivakmateriaal maar hebben daar bewust niet voor gekozen omdat bij deze drukte er nou eenmaal een risico is dat je moét bivakkeren! Dan kun je niet over de rug van een ander zorgen dat je eerder boven bent, nee dan moet je op de blaren zitten van de slechte keuze die je gemaakt hebt.. Toen leek het kwartje te vallen en gaven meerdere klimmers aan dat we gelijk hadden en werd er door sommigen netjes gewacht..
Doordat wij veel te hoffelijk zijn geweest bleek later dat we zoveel vertraging hadden opgelopen dat we nogmaals op de top moesten bivakkeren en dat was koud! De gedachte dat de andere klimmers door onze hoffelijkheid inmiddels lekker warm beneden in een hotel konden overnachten, hield ons die nacht door de extra karmapunten, toch een beetje warm. Ieder nadeel heeft zijn voordeel..

Na misschien wel 1,5 uur wachten mocht ik dan eindelijk beginnen aan de Quarzriss. Het klimmen was echt lastig. De stijgijzers moesten op de rotsplaat in zulke kleine gaatjes geplaatst worden dat vaak alleen de eerste paar millimeter van de stalen monopoint in de rots pasten. Vanwege de snelheid heb ik een deel artificieel geklommen waarbij ik onderweg nóg meer respect kreeg voor de eerste beklimmers. Via het Cortibivak bereikten we de onderkant van de uitklimspleten en daar bleek dat de beklimming nog lang niet voorbij was. Dit deel van de wand staat sowieso al bekend om de steenslag. Ik vermoed dat het normaal wel meevalt met de steenslag maar het zou me niet verbazen dat er nog 15 touwgroepen boven ons zaten. Die klommen in brakke en slechte rots en het is bijna onmogelijk om geen stenen los te trekken. En die kregen wij dus over ons heen..
We stonden in een aanhoudende hagel van kleine steentjes, maar zo nu en dan zat er ook een grotere steen tussen. De uitklimspleten zijn zeer beperkt af te zekeren en áls je al iets kunt leggen is de zekering twijfelachtig. Onze grootste angst was dus eigenlijk niet alleen de directe impact van de steen maar meer dat die steen er ook voor kon zorgen dat we zouden vallen. Er leek maar één oplossing om het risico zo goed als mogelijk te beperken en dat was zo snel mogelijk door te klimmen.
Melvin klimt de eerste lengte voor maar geeft dan aan het te lastig te vinden en dat hij de power die hij in het dal heeft nu niet meer heeft. Ook omdat we inmiddels op ca. 3700 meter hoogte zaten en hij de hoogte nu écht begon te voelen. Ik neem het over en de Duitse gids met klant klimt achter ons aan. Nu zijn er dus 2 touwgroepen met 2 voorklimmers. Ik besef me dat dat een extra risico vormt en stel voor om alles voor te klimmen terwijl ik Melvin, en de Duitse gids (met klant) nazeker. Op die manier heeft er maar één iemand kans op een voorklimval en áls dat gebeurt zijn er 3 mensen om te helpen. Beetje jammer dat ik dan die voorklimmer ben maar dat is dan niet anders..
Met iedere meter die ik klim, stijgt de spanning en vraag ik mezelf af wat ik hier in godsnaam aan het doen ben. Is dit nou leuk? Ondanks de enorme spanning en stress, blijf ik gelukkig rustig. Behalve dan als het touw voor de tigste keer in de knoop zit terwijl een volgend steenslag salvo ons beschiet. Het stomme is dat ik al zoveel tochten gedaan heb waar ik me afvroeg waarom ik dit doe maar dat ik toch iedere keer weer in die ongewisse, gevaarlijke onzekerheid stap.. Puur rationeel valt die keuze niet te verklaren.. Ik denk dat je dat alleen kunt begrijpen als je het gevoel van euforie ná de beklimming hebt meegemaakt. Die Euforie ontstaat niet alleen door het behalen van de top.. Die top is alleen een heel lekker toetje. Dus waarom doe ik dit allemaal?
Ik denk dat die euforie nu juist grotendeels ontstaat door de weg naar de top toe en ik ben het met je eens dat dat heel cliché klinkt. Maar doordat je zó diep moet gaan, fysiek hélèmáál gesloopt wordt, héle angstige momenten mee maakt, mentaal helemaal leeg loopt, je continu afvraagt wat je je familie allemaal aandoet als het mis gaat, leer je de dingen die in ons hedendaagse luxe leven allemaal zo vanzelfsprekend lijken, weer zo enórm waarderen!
Als je weer terugkomt in het dal dan smaakt zelfs een oude boterham super lekker. In het boek de Witte Spin staat een prachtige foto waarbij Heinrich Harrer een boterham zit te eten met de quote: ‘’Heinrich Harrer neemt een hap van zijn boterham die zijn moeder 2 weken geleden voor hem gesmeerd heeft’’. En reken maar dat die boterham nog steeds lekker smaakte! Toen ik terugkwam van de K2 expeditie en 2 maanden op 5200 meter hoogte tussen het ijs en de rotsen had geleefd vond ik de eerste simpele graspol die ik tegenkwam verschrikkelijk mooi! En terug in het hotel was het echt verdraaid handig dat als je aan een knop draait dat er dan water uit de kraan komt!
Dit was overigens de 2e keer dat ik in de voetsporen van Heinrich Harrer klom. Bij de beklimming van de Carstensz Piramide deed ik dat ook al!
De vraag ‘is dit het allemaal waard’ is uiteindelijk bijna niet te beantwoorden met een volmondig ‘ja’ gezien de risico’s en het afzien. Wat ik wel weet is dat ik achteraf gezien blij ben dat ik het allemaal heb mogen meemaken. Als ik terugkijk naar alle avonturen lijkt het alsof ik zelf in een avonturenboek geleefd heb.
Toen ik net begon met klimmen en ik hoorde van de beklimming van de 6 moeilijkste Noordwanden van de Alpen volgens Gaston Rebuffat was dat voor mij echt een ‘ver van mijn bed show'. Ik had niet gedacht dat ik als Nederlander ooit het niveau zou bereiken om één van die wanden te beklimmen en inmiddels heb ik ze (als 2e Nederlandser) alle 6 beklommen!
Inmiddels kan ik hier ook eindelijk berusting in vinden. De afgelopen 25 jaar ben ik continu, bijna dwangmatig, bezig geweest om steeds weer nieuwe, extreme en uitdagende doelen te stellen. Op mijn 18e begon dat bij het korps mariniers waar ik een aantal zware opleidingen bij de special forces volgde maar iedere keer als ik dat doel haalde ging het vizier direct weer op het volgende doel. Iedere keer als ik op de (soms ook spreekwoordelijke) top stond, was het uitzicht zo mooi dat ik vanaf de top het volgende doel alweer kon zien. Er kwamen eigenlijk meer doelen bij, dan dat ik doelen haalde. Ik was (te) ambitieus en was eigenlijk ook nooit tevreden met wat ik gedaan had. Ik werd gedreven door mijn eigen onrust, onzekerheid, bewijsdrang en een gigantische ambitie. Factoren die er wel voor gezorgd hebben dat ik mijn doelen bereik maar die natuurlijk ook een behoorlijke negatieve kant hebben. Ik keek eigenlijk altijd vooruit naar waar ik naartoe wilde en welke doelen ik nog zou willen behalen. Daarmee bereik je een hoop maar voor je voldoening is het nogal slecht.. En voor je social leven ook niet ideaal..
Nu ik dan bij dé Nederlandse anti terreureenheid heb mogen dienen, UIAGM Ski- en Berggids ben, Staatlich Geprüfter Skilehrer ben, 2x Nederlands kampioen reuzeslalom skiën ben, de 6 moeilijkste Noordwanden en alle 82 vierduizenders van de Alpen beklommen heb, het grootste ski- en bergsport bedrijf van Nederland heb, een prachtig(e) huis, vriendin en dochter heb, wordt het misschien eens tijd om achteruit te kijken en te genieten van wat ik allemaal wél bereikt heb.
Met die gedachte wordt het klimmen in de toekomst ook een stuk veiliger, want als je tevreden bent, draai je makkelijker om, en dat vindt mijn dochter misschien ook wel leuk:) Niet dat ik voorheen niet snel omdraaide hoor, ik vind mijn eigen leven veel te leuk maar een dochter zorgt er toch voor dat je er nog meer over nadenkt. Of bij de mariniers zouden ze zeggen: Je moet vóórdenken, als je nadenkt ben je te laat!
Na een aantal touwlengtes komen we eindelijk in terrein waar we veilig zijn voor steenslag. Ondanks dat het laatste stuk ‘maar’ 2e graads rots betreft is het nog altijd opletten. De rots is nog steeds amper af te zekeren en loopt overal af zodat je je stijgijzers, ijsbijlen of handen eigenlijk nooit echt achter de rots kunt ‘haken’. Ieder beweging die ik maak moet met 100% concentratie gebeuren!

De laatste 2 touwlengtes klimt Melvin in bomhard maar goed af te zekeren blankijs nog voor. Op de graat aangekomen omhels ik Melvin en valt de spanning van ons af! Wat een tocht en wat zijn we blij dat we boven zijn. En wat een magistraal uitzicht! We hebben nog even de hoop vandaag nog aan de afdaling te kunnen beginnen, maar vanwege de intredende duisternis besluiten we op de top te bivakkeren.
Op de top voel ik wederom een aspect wat het klimmen of het aangaan van een extreme uitdaging, zo veel voldoening geeft, kameraadschap! Ik ken Melvin eigenlijk pas 3 dagen maar binnen die 3 dagen hebben we een prachtige band opgebouwd. Dat diepe, sterke kameraadschap kan nooit ontstaan als je niet samen diepgaat..
De volgende dag pakken we na 3 uur afdalen het treintje terug naar Grindelwald waar we genieten van iets lekkerders dan een 20 dagen oude boterham!

Wil je ook ooit zelf de Eiger Noordwand beklimmen? Je eerste stappen zet je dan met het volgen van een beginnerscursus alpinisme! Of als je al ervaring hebt en toe bent aan de volgende stap kun je ook aanhaken bij een van mijn webinars of informatiebijeenkomsten!